U bevindt zich momenteel hier » Home » Werking » Werkgroepen en cellen » Bureau sociale rechtvaardigheid » 1301

Kansarmoede en onderwijs

Dosier 1 - 13.01.11
 



Vergroten scholen de sociale ongelijkheid?



Laat je raken ...

 


Sociale ongelijkheid en onderwijs
Op 22 november 2010 organiseerde het Bureau voor Sociale Rechtvaardigheid (BSR) de studiedag “Kansarmoede en onderwijs”. Gastspreker was Prof. Ides Nicaise, (mede-) auteur van “De school van de ongelijkheid” en “Gelijke kansen op school: het kan!”. Volgens hem zijn sociale ongelijkheid en uitsluiting noch ongelukken, noch een natuurlijk gegeven, maar zijn ze het gevolg van maatschappelijke keuzen. Het doel van deze studiedag was dan ook een eerste aanzet om alle deelnemers van onze scholen tot reflectie aan te zetten en dan voornamelijk over de eerste vraag -vanuit onze lasalliaanse opdracht - “Wat doen wij voor de sociaaleconomisch zwakke leerlingen in onze scholen?”. In hoeverre zijn we ons bewust dat scholen - misschien ook de onze - de sociale ongelijkheid nog vergroten?
Volgens Prof. Nicaise kan je twee grondoorzaken van ongelijke onderwijsuitkomsten in Vlaanderen aanduiden namelijk: de vermarkting van het onderwijs en de meritocratische ideologie. Maar het wetenschappelijk onderzoek is al zodanig geëvolueerd dat men kan beschikken over een groot aantal recepten voor de verhoging van sociale gelijkheid. Het pas verschenen boek “Gelijke kansen op school: het kan” inventariseert dergelijke recepten en integreert ze in een coherent kader.
Op de studiedag belichtte Prof. Nicaise de “brede school” en “ de ouders als partners”. De eerste strategie moet bijdragen tot betere randvoorwaarden opdat de ongelijkheid buiten de schoolmuren zo weinig mogelijk doorwerkt in de leerkansen van jongeren. Deze strategie heeft een meer preventieve inslag en is op zichzelf niet voldoende. De tweede voorgestelde strategie richt zich meer op gelijke behandeling - gaande van desegregatie tot de (sociale) vorming van leerkrachten - en is erop gericht open en verborgen discriminatie tussen sociale groepen in het onderwijs weg te werken.
Deze uiteenzetting was een aanzet tot reflectie die uiteindelijk moet leiden tot daadwerkelijke actie. Mogelijke reflecties, individueel of in schoolteam, in verband met dit thema zijn er veelvuldig.
In de namiddag bracht Monique Adyns, een opgeleide ervaringsdeskundige in armoede en sociale uitsluiting, een confronterende getuigenis over haar leven in armoede. Monique bezorgde de deelnemers een lijst met tips voor een goede relatie met mensen in armoede.
Sommige mensen luisteren beter naar hun portemonnee dan naar “theorieën”. In een artikel over flankerend schoolbeleid haalt Marleen De Vry zuiver economische redenen aan om de“ onderperformantie van het onderwijssysteem” aan te pakken. Lees meer.

Link met ons lasalliaans opvoedingsproject: Oproep 3 - Kansen geven
Elke mens heeft zijn eigen verhaal: achtergrond, overtuiging, kwetsuren, aanleg, …
Als school willen we daar oog voor hebben. Rekening houdend met ieders draagkracht willen we nieuwe kansen aanreiken. Meer nog: mensen die kwetsbaar in het leven staan willen we extra aandacht schenken.

Bedenking
“Hoe komen de zonen en dochters van kaderleden, dokters en leerkrachten ertoe om wél te slagen in de bestaande school? Het antwoord is vanzelfsprekend: omdat ze het geluk hebben om in hun familiale omgeving het kader, de motivering en de werkvoorwaarden te vinden die de school niet kan of wil aanbieden. De uitstekende resultaten van de kinderen van leerkrachten zijn in dat verband veelzeggend. Hun ouders hebben een werkrooster dat hun toelaat beschikbaar te zijn, en ze hebben de vereiste vorming om hun kinderen nauwgezet te helpen: om hun lacunes op te sporen en weg te werken………” (Hirtt.N, Nicaise I.;De Zutter D.; “De school van de ongelijkheid” pg. 96 97)
Wanneer anderen ons aanspreken op de vele vakanties luidt het antwoord heel dikwijls “dan had men ook maar voor leraar moeten studeren”. Nooit kunnen we echter tegen kansarmen zeggen dat ze maar in een ander gezin hadden moeten geboren worden! Daarom is het de taak van elke leerkracht om over de gelijkheid/ongelijkheid in het onderwijs na te denken.



De vermarkting



Prof. Ides Nicaise wees de marktwerking in het onderwijs en de vroegtijdige selectie aan als twee factoren die de grote sociale ongelijkheid in ons onderwijs verklaren. Onderwijs werkt als een markt met een groot aanbod aan scholen, de vrijheid van onderwijs laat grondwettelijk toe dat iedereen een school kan openen en aan de vraagzijde de vrije schoolkeuze, ook grondwettelijk gewaarborgd. Het is weliswaar geen echte markt maar een quasi-markt omdat de overheid grotendeels als derde betaler functioneert. De vrije schoolkeuze is nergens in Europa zo absoluut als in ons land (en nog twee andere landen). In vergelijking met de tijd van het Schoolpact (1958) is de concurrentie tussen het katholiek en het officieel onderwijs afgezwakt maar de marktwerking in het onderwijs is niet verminderd. De concurrentieslag op een markt waardoor de demografische ontwikkelingen de vraag stagneert, viert hoogtij, ook tussen scholen van een zelfde net. Er zijn scholen met een schoolpopulatie uit de hogere sociale lagen. Zij kunnen selectief te werk gaan en hun reputatie eventueel nog versterken. Als er veel kampeerders voor uw school staan, kan je nog meer selecteren. Er zijn ook scholen met een kansarme schoolpopulatie, die verplicht zijn elke leerling aan te nemen om te overleven. Zo krijg je een polarisatie op de scholenmarkt. Het is niet goed voor jongeren dat ze in gesegregeerde scholen zitten. Voor leerlingen uit de hogere klassen maakt het niet veel uit op welke school ze zitten. De schoolprestaties van leerlingen uit de lagere klassen worden wel negatief beïnvloed door het bestaan van gettoscholen. De vroegtijdige selectie is een andere factor die meespeelt in de grote ongelijkheid op school. Bij ons eindigt de gemeenschappelijke stam op 12 jaar. In de Scandinavische en in enkele andere landen werden door sociaaldemocratische regeringen een langere gemeenschappelijke stam ingevoerd, tot 15 of 16 jaar.

Tijdens de vragenronde werd expliciet de vraag gesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de graad van vrije schoolkeuze en sociale ongelijkheid en of gettoscholen nefast zijn voor de leerlingen. Prof. Ides Nicaise antwoordde positief. Als men hetzelfde arbeiderskind in een gettoschool of in een homogene klas met zwakke leerlingen plaatst, zal het minder goed presteren dan in een sociaal gemengde school of in een heterogene klas. Er is wel degelijk sprake van een peer-group-effect.



↑


De meritocratische ideologie



Prof. Ides Nicaise zegt:

‘De meritocratie en het egalitarisme zijn twee verschillende visies op gelijkheid in de samenleving en dus ook in het onderwijs. Beiden zijn ze een reactie tegen de band tussen de sociale afkomst van een persoon en de maatschappelijke positie die hij of zij bekleedt. Je zou dus kunnen zeggen dat het twee maal om een progressie gedachtegoed gaat. Toch zijn er belangrijke accentverschillen.

De meritocratie vertrekt vanuit de verdienste, als een combinatie van aangeboren talent en inspanning want meritocraten zien drie oorzaken die aan de basis liggen van schoolprestaties: de inspanning van de leerling, zijn talent en zijn sociale afkomst. Talenten moeten gekoesterd worden voor meritocraten. Vandaar dat getalenteerde leerlingen bijvoorbeeld nog een beurs krijgen om verder te studeren in het hoger onderwijs. Maar meritocraten verliezen uit het oog dat deze talenten sterk samenhangen met de sociale afkomst. Wie van betere komaf is, heeft de beste talenten om te slagen in ons onderwijssysteem. Op die manier blijft sociale afkomst een belangrijke factor in een meritocratisch systeem. Zij beschouwen talent als een vast gegeven dat aan elke persoon wordt meegegeven van bij de geboorte. Maar we weten reeds lang dat talent eigenlijk een heel dynamisch gegeven is door het samenspel tussen de omgeving en de genetische structuur van personen. Dit betekent dus dat kinderen met gelijke talenten die opgroeien in een verschillend milieu, ook verschillend zullen ontwikkelen.

De egalitaristische visie vertrekt niet vanuit de persoonlijke verdienste of talent maar neemt de menselijke waardigheid als uitgangspunt. Die menselijke waardigheid moet de mogelijkheid krijgen om zich ten volle te ontplooien. Iedereen heeft dan ook recht op goed onderwijs, ongeacht je sociale afkomst of talent, maar gewoon omdat je mens bent. Om het onderwijs in Vlaanderen te situeren moet ik genuanceerd antwoorden, alhoewel. In het lager onderwijs wordt eerder egalitair gedacht; het hoger onderwijs daarentegen sluit eerder aan bij een meritocratische visie. Maar je mag gerust zeggen dat ons onderwijs, internationaal vergeleken, sterk meritocratisch werkt. Een voorbeeld, ons onderwijs is heel sterk gestratificeerd. Dit komt er op neer dat zogenaamde sterke leerlingen geselecteerd worden voor zogenaamde sterkte studierichtingen. Zwakke leerlingen vallen uit de boot en “zakken af” naar zwakkere studierichtingen met weinig theoretische leerstof. Dit watervalsysteem start reeds in de basisschool, waar de kinderen uit lagere sociale milieus vaker doorverwezen worden naar het buitengewoon onderwijs.’



↑

 

Om over te praten


  • Denk je dat Ides Nicaise gelijk heeft?
  • Wat houdt “financieel beleid” in jouw school in? Nadenken over het verminderen van de schoolkost of nadenken hoe iedere ouder zijn factuur betaalt?
  • Geloof je dat het onderwijs in jouw school kinderen uit de negatieve spiraal van maatschappelijke ongelijkheid kan tillen?
  • Ken je kansarme mensen?
  • Sociale ongelijkheid bestrijden is geen opdracht voor het onderwijs, maar van het welzijnswerk.
  • “Sociale ongelijkheden kunnen nog het best gereduceerd worden door de school daarvoor niet als een expliciet doel te stellen, maar wel door ervan uit te gaan dat quasi alle kinderen in staat zijn kennis te nemen van ons intellectueel en cultureel erfgoed”. (Prof. Dr. W. Van den Broeck , VUB)
  • Geloof ik in de meritocratie? Welke argumenten pro of contra heb ik daarvoor?
  • Betekent het “gelijkekansenbeleid” voor mij “ een gouden medaille voor iedereen” en dus een nivellering omlaag?
  • Heeft mijn school “drempels” in de toegang ingebouwd?
  • Wat doet mijn school met de extra werkingsmiddelen die ze krijgt afhankelijk van de leerling-kenmerken? Wordt dit geld gebruikt voor afbouw van ongelijkheid?
  • Is inclusief onderwijs in mijn school te bespreken? Waarom wel of niet?
  • Hoe zie ik de op til zijnde veranderingen voor het secundair onderwijs tegemoet?
  • In welke school zou ik graag lesgeven : “witte school”, eliteschool, magneetschool, concentratieschool, … .
  • Vind je dat positieve discriminatie steeds ten koste gaat van de gemiddelde kwaliteit en zeker van de toppresteerders?
  • Porf. Ides Nicaise verwijst met de term “ meer gelijke uitkomsten” naar de ambitie om de verschillen, die er altijd zullen blijven bestaan, los te koppelen van de sociale afkomst van leerlingen. Wat houdt dit in voor je lespraktijk?
  • …



↑


Met flankerend beleid lokale daadkracht mobiliseren rond onderwijs

Marleen De Vry, Impuls, nr. 2, oktober - december 2010, ACCO

“In alle ontwikkelde landen vallen 10 tot 15% van de scholieren uit de boot. Deze restgroep is groot genoeg om zelfs wereldvermaarde economisten te alarmeren. Op verschillende fronten riepen zij in 2009 op om in te zien dat de maatschappelijke kost van schooluitval en alle daarvan afgeleide problemen groter is dan de kost van de recente financiële crisis. Het heet dat “ de onderperformantie van het onderwijssysteem” moet worden aangepakt. Een substantiële maatschappelijke groep slaagt er momenteel niet in om de vruchten te plukken van de investeringen die regeringen en belastingbetalers doen in hun opleiding. Dat moet veranderen. Het niveau van ongeschoolden en kansarmen verhogen zou volgens onderwijseconomen McKinsey (Londen) en Heckman (Harvard) niet alleen individuele winst opleveren, zoals een
hoger inkomen en een zinvoller leven, maar ook een hoge economische return heeft met een hogere productiviteit en een hogere BNP. Het zou bovendien leiden tot aanzienlijke sociale baten: minder sociale uitgaven, minder misdaad en vooral meer integratie en sociale cohesie. Remediëren op latere leeftijd kost altijd meer dan achterstand voorkomen én is maar half zo efficiënt. Het prestatieniveau van achtergestelde groepen in de samenleving omhoog halen, is dus geen kwestie van zoetsappig sociaal beleid maar van economische noodzaak. Dat is zo op macroniveau, maar even goed op de microschaal van een stad of gemeente. “

↑

© 1985 - 2012 - Sitemap - CMS Powered by The Rising Castle